5. Wetenschappelijk onderzoek : 5.4 Habitatgebruik : RESULTATEN VOOR HET EVERZWIJN
Inleiding :
Gesteund door een onderzoeksproject van de Katholieke Universiteit Leuven, dat financiële steun geniet vanwege het Waalse Gewest, voert het Laboratoire de la Faune sauvage et de Cynégétique sinds 2005 een studie over het gedrag van het everzwijn. Bedoeling is objectieve argumenten aan te voeren om het beheer van deze populatie en haar habitat te verbeteren.
Uitgaand van de ervaring met herten heeft men voor de verwezenlijking van deze doelstelling de telemetrische opvolging als instrument gekozen. De dieren worden voorzien van een halsband met radiozender (VHF) of GPS om hun verplaatsingen te volgen.
De verplaatsingen van dieren opvolgen die uitgerust zijn met dergelijke halsbanden, levert talrijke inlichtingen op over het gedrag van de dieren: hun ruimtelijke spreiding, hun reactie ten aanzien van verschillende omgevingsfactoren (kwaliteit van de biotoop, weersomstandigheden, eiken- en beukenmast, jacht, aanwezigheid van publiek, voedsel, aanwezigheid van landbouwgewassen, bronstijd…) en de wijze waarop ze hun habitat benutten (kiezen of mijden zijn bepaalde omgevingen of wordt de omgeving waarin ze leven op toevallige wijze bepaald?).
Deze studie wordt voornamelijk in beide gebieden van de Jachten van de Kroon gevoerd en bijkomend ook in een gebied van Famenne dat gelegen is in het bosmassief van de Haute Lesse. In tegenstelling tot de twee eerste staat dit gebied bekend voor een grote natuurlijke opvangcapaciteit op het vlak van voedsel.
De resultaten die we uiteenzetten, zijn erg voorbarig en onvolledig. Al laat het everzwijn zich makkelijker vangen dan het hert, toch moet men voor deze soort benadrukken dat het heel moeilijk is de gemerkte dieren lang genoeg op te volgen om hun gedrag te onderzoeken.
Vangen en opvolgen :
In 2005 en 2006 werden 30 individuen gevangen en uitgerust met een zendhalsband. Van die 30 konden er slechts 3 gedurende 12 maanden worden opgevolgd. Eén jaar opvolging is het strikte minimum voor een doorgedreven analyse van het habitatgebruik. 8 van hen hebben hun halsband te vroeg verloren, wat waarschijnlijk te wijten is aan de aparte lichaamsbouw van de soort, namelijk het feit dat ze geen “nek” hebben zoals het hert waardoor het niet makkelijk is het materiaal deftig te bevestigen. 7 dieren zijn gestorven, ofwel door de jacht (5!), ofwel door natuurlijke omstandigheden. De overige dieren worden nog altijd opgevolgd. Eind 2006 had men ongeveer 5.250 plaatsbepalingen ingezameld.
Levensruimte :
De levensruimte van een dier is de oppervlakte die het dier gebruik voor normale activiteiten zoals voeden, voortplanting, verzorging van de jongen.
-> Zie bij het hert
De oppervlakte die door mannelijke dieren wordt gedekt, is meestal groter dan die van de vrouwelijke dieren. De levensruimte van de everzwijnen in de Famenne (zeer rijke omgeving) zijn algemeen gezien kleiner dan in de Midden Ardennen of Hoge Venen. Aan de hand van een visuele weergave van de levensruimten van de gevolgde everzwijnen kan men vaststellen dat de omvang ervan sterk varieert al naargelang het individu.
Voor het Kroonjachtgebied Saint-Michel Freyr omvat een levensruimte (Kernel 95%) gemiddeld 400 ha voor vrouwtjes (schommeling van 30 tot 600 ha) en 1.300 voor mannetjes (schommeling van 350 tot 2000 ha).
In het Westen van het Hertogenwald zijn de levensruimten blijkbaar kleiner. Het aantal gevolgde dieren is echter nog te beperkt om hier reeds conclusies over te trekken. In de regel hebben de everzwijnen in dit gebied een zeer sedentair leven, in tegenstelling tot wat men meestal denkt. De grote individuele schommelingen die men vaststelt bij het kleine aantal gevolgde dieren, duidt erop dat het nodig is het aantal gemerkte dieren aanzienlijk te verhogen.
Fotolegende : Achille, massief van Saint-Hubert, uitgerust met een VHF-halsband |
Verplaatsingen en keuze van de habitat :
Verplaatsingen
:
De eerste oorzaak van verplaatsingen over grote afstanden is dat dieren verstoord zijn door de jacht. Dergelijke grote verplaatsingen doen zich voor tijdens de grote drijfjachten van november en december, ongeacht het geslacht. Er zijn ook andere oorzaken vastgesteld die rechtstreeks verband houden met weersveranderingen (sneeuw) of met de landbouwgewassen die op de open velden beschikbaar zijn (in het bijzonder maïsvelden). Volwassen mannelijke dieren vertonen een zeer actieve fase op het vlak van verplaatsingen, wat ongetwijfeld rechtstreeks in verband staat met de bronstijd. De maximale afstand die men kon meten tussen vertrek- en eindpunt schommelt van 3 km (massief van Saint-Hubert) tot 22 km (Hertogenwald)
Voor een deel van de gevolgde dieren stellen rivieren (sterk gezwollen Lesse), snelwegen (N4) of veldomheiningen geen hindernis aan de verplaatsingen. Een bepaalde everzeug ging van het Hertogenwald tot in Duitsland.
Legende: verplaatsingen van een mannelijk everzwijn in het massief van Saint-Hubert. Zwarte kruisjes: plaatsbepalingen tijdens het jachtseizoen – Roze driehoeken: plaatsen buiten het jachtseizoen.
Keuze van de habitat
:
De elementen waar we momenteel over beschikken tonen aan dat elk individu anders reageert op afleidingsbijvoedering. Sommige dieren lijken hun levensruimte in te richten rond één of meerdere voedselplaatsen, andere blijken ze te negeren of zelfs te mijden. Op termijn zal een vergelijking mogelijk zijn tussen de voorkeuren van everzwijnen die leven in gebieden met kunstmatige voedselbronnen en van dieren die leven zonder extern aanbod (zoals het geval is in de Kroonjachtgebieden). Dit punt zal nog in belangrijke mate worden verdiept.

De vergelijking van opgevolgde everzwijnen tijdens jaren met eiken- en beukenmast en jaren zonder mast, zal waarschijnlijk tonen wat de impact van dit fenomeen is op hun ruimtelijk gebruik en wat de alternatieve bronnen zijn voor dit aanbod.
Legende: overlapping van de plaatsbepalingen voor een mannelijk everzwijn en de kaart van beschikbare habitats in westelijk Hertogenwald
|
-> Habitatgebruik
-> Opvolgingstechnieken
-> Resultaten voor het hert
-> Merktechnieken
|