|
|
|||||||||
Jachten van de Kroon |
|||||||||
| FR - NL - DE | |||||
|
5. Wetenschappelijk onderzoek : 5.2 INDICATOREN VOOR FYSIEKE CONDITIE EN GESTELDHEID
Het lichaamsgewicht en de lengte van de onderkaak worden beschouwd als indicatoren voor de conditie en gesteldheid van wilde graseters omdat zij een beeld geven van de verhouding tussen het individu en zijn omgeving in de ruime zin. Onder omgeving in de ruime zin verstaat men alle factoren die mogelijk een invloed hebben op het welzijn van het dier, namelijk niet enkel de wildstand en de kwaliteit van de voedselbronnen maar ook de aanwezigheid van dekkingszones, de mogelijkheid vrij rond te lopen, de rust evenals de dichtheid en structuur van de populatie (verhouding tussen de geslachten en leeftijdspiramide). Jonge dieren – hertenkalveren en dieren van 1 jaar – tonen de recente effecten van de omgeving. Men gebruikt bij voorkeur deze leeftijdscategorieën om de schommelingen in de verhouding populatie-omgeving te meten.
Vruchtbaarheidsgraad : De vruchtbaarheidsgraad is het aantal vruchtbare dieren ten opzichte van het totale aantal waargenomen dieren Om de vruchtbaarheidsgraad te onderzoeken bij hinden (wijfjesherten van 2 jaar en ouder) en smaldieren (wijfjesherten van 1 jaar) meet men de aanwezigheid van gele lichamen (corpora lutea) in de eierstokken. De aanwezigheid van een geel lichaam wijst erop dat een dier in oestrus is (loopsheid). Men beschouwt het dier dan als vruchtbaar of in staat zich voort te planten. Een studie die over meerdere jaren gevoerd werd in verschillende gebieden van het Waalse Gewest, toont aan dat de vruchtbaarheidsgraad van hinden van 2 jaar en ouder grotendeels dezelfde is (95 tot 99%) in de verschillende gebieden maar dat er schommelingen zijn van 48 tot 90% in de vruchtbaarheid van smaldieren (1 jaar). Het lichaamsgewicht dat het dier behaalt in de herfst beïnvloedt bij smaldieren de waarschijnlijkheid dat ze in oestrus gaan.
Meting van de geweien :
De meting van de geweien van het hert (beenachtig aanhangsel dat jaarlijks afvalt) heeft tot doel de kwaliteit van de trofee of afwerpstangen van een dier te meten. Voor geweien die de volwassen leeftijd naderen, gebeurt deze evaluatie aan de hand van een uitgebreid en internationaal erkend meetsysteem (CIC-puntenstelsel). Naast genetische factoren wordt de ontwikkeling van het gewei enerzijds ook bepaald door de leeftijd van het dier en anderzijds door de rijkdom aan voedselbronnen, evenals wellicht de rust die heerst in de winterverblijfplaatsen van de mannelijke herten. Bijgevolg weerspiegelt de gemiddelde evolutie van de kwaliteit van de geweien de kwaliteit van de habitat in de ruime zin. Deze biometrische indicator wordt systematisch gemeten in de Jachten van de Kroon en is tegenwoordig, voor zover het gaat over geweien die een bijna volwassen stadium hebben bereikt, bij uitbreiding ook van toepassing voor alle soorten grootwild (herten, reeën, moeflons, everzwijnen) over heel het land. Deze meetactie is een gezamenlijk initiatief van het LFSC en de Commission Nationale de Mensuration des Trophées (nvdv: Nationale commissie voor de meting van geweien) (onder het beschermheerschap van de Belgische Delegatie van de Internationale Raad voor Jacht en Wildbeheer). Het LFSC zorgt voor de archivering en regelmatige bijwerking van deze gegevens en beschikt zo over een betekenisvolle indicator voor de kwalitatieve evolutie van grofwildsoorten. Voor het hert kan deze evolutie als bijzonder positief worden beschouwd.
|
Wettelijke vermeldingen - Privacy - Ombudsman - Toegankelijkheid |