4. Wildbeheer : 4.2 Beheer van de habitat : BIJVOEDEREN VAN DE DIEREN
Sinds de herziening van de Wet op de Jacht van 1994 is het voeden van grofwild in het Waalse Gewest gereglementeerd. De wetgever heeft elke vorm van voeden om grofwild aan te trekken of op een plaats te behouden willen bannen, dit wegens ethische redenen en om de wilde aard van het grofwild te vrijwaren.
Behalve voor everzwijnen mag men grofwild dus enkel nog voeden voor aanvullende bijvoedering. Hierbij gaat het om aanvullend voedsel dat enkel wordt voorzien om het evenwicht tussen landbouw, bosbouw en wildbeheer te verzekeren en enkel als het voor de dieren nodig is. De wet bepaalt dat het enkel in het slechte seizoen mag gebeuren
Het voeden van everzwijnen mag daarentegen heel het jaar door, maar enkel om everzwijnen af te leiden zodat ze hun voedsel niet zouden zoeken op landbouwgronden. In de praktijk wordt enkel een strooksgewijze bijvoedering met korrels toegestaan, met een mengeling van granen en erwten. De bijvoedering moet ook permanent zijn van aard.
In overeenstemming met de geest van de wet en gelet op de bescheiden populatiedichtheid van de everzwijnen in de Kroonjachtgebieden en het vrij beperkte risico op schade voor de landbouw, koos men in de Kroonjachtgebieden voor een minimale bijvoedering van het grofwild. Er wordt op beide gebieden enkel aanvullende bijvoedering voorzien. In de praktijk gaat het dus om een bijvoeding bestemd voor hertachtigen (vooral herten maar bijkomstig ook reeën), verdeeld over 3 voederpunten (kuilen met gras en gedroogde luzerne) per 1.000 ha. Zoals voorzien in de huidige regelgeving inzake bijvoedering worden deze voederpunten continu aangevuld van 1 januari tot 30 april (buiten het seizoen van de jacht op herten of reeën).
-> Beheer van de habitat
-> Wildweiden
-> Rust
|