4. Wildbeheer : 4.1 Beheer van de populaties
Het beheer van de hert-, everzwijn- en reepopulaties houdt in dat men een antwoord geeft op de drie volgende vragen :
• Wat is de ideale hoeveelheid dieren die men moet afschieten ?
• Welke dieren hoort men af te schieten ?
• En, ten slotte, hoe moet men ze afschieten ?
Om te bepalen hoeveel dieren men moet afschieten, is het nodig te beschikken over een schatting omtrent de omvang van de populaties die aanwezig zijn in het gebied en/of over middelen waarmee men kan oordelen of de populaties in evenwicht zijn met hun omgeving. Belangrijk hier zijn de teltechnieken enerzijds en het opnemen van wildvraatindicatoren anderzijds.
Om te kiezen welke dieren men moet afschieten, moet men voornamelijk uitgaan van de noodzaak om te komen tot een populatiestructuur die vergelijkbaar is met de structuur die de populatie zou hebben in volledig natuurlijke omstandigheden. Hierbij streeft men naar een evenwicht tussen de 2 geslachten en een spreiding over de leeftijdspiramide. Naast rechtstreekse waarnemingen kan men de structuur van een populatie ook inschatten met een analyse van de afschotstatistieken.
De toe te passen jachttechnieken worden vooral bepaald door twee overwegingen, namelijk dat men doeltreffend moet zijn om de dieren zo weinig mogelijk te storen en dat men ze in de beste omstandigheden moet afschieten om te vermijden dat dieren verwond raken.
-> Tellingen
-> Wildvraatindicatoren
-> Jachtwijze
-> Jachtafschot
-> Analyse van de afschotstatistieken
|