4. Wildbeheer : 4.2 Beheer van de habitat
Zoals de meeste zoogdieren hebben ook herten, reeën en everzwijnen te maken met voedselbronnen die variëren van een bijna onbeperkte overvloed (in mei en juni en soms in de herfst) tot een quasi volledige afwezigheid (periode met sneeuwval). Dankzij een dynamisch bosbeheer kan men wel de voedselbronnen, die aanwezig zijn in een gebied, over heel de lijn verbeteren. Om echter aan de behoeften van de dieren te voldoen tijdens de minst gunstige periodes, zal men toch specifieke voorzieningen moeten plaatsen, bijvoorbeeld het aanleggen of onderhouden van weiden waar de dieren zich kunnen voeden of nog het aanleggen van kunstmatige voederplaatsen. Om toegang te hebben tot de verschillende beschikbare voedselbronnen, al naargelang het seizoen, moeten de dieren in grote mate vrij kunnen rondlopen, wat ondenkbaar is als het bos niet de fundamentele rust kan bieden. Die rust is ook onontbeerlijk om de dieren de kans te geven zich te voeden volgens hun natuurlijke ritme, namelijk meermaals per dag en in functie van de omstandigheden die zij verkiezen op het vlak van microklimaat en tijd en ruimte.
-> Wildweiden
-> Bijvoederen van de dieren
-> Rust
|