4. Wildbeheer : 4.2 Beheer van de habitat : wildweiden
De draagkracht van de habitat kan in de twee betrekkelijk arme gebieden van de Hoge en Midden Ardennen enkel verbeterd worden door wildweiden (elke al dan niet natuurlijke plaats waar de dieren zich kunnen voeden) aan te leggen. Naast het voederen van de dieren kan de aanleg van een wildweide de dieren ook weghouden van andere voedselbronnen, namelijk de beplante bospercelen of natuurlijke verjongingsbestanden van houtsoorten met economische functie. De aanleg van wildweiden biedt ook de mogelijkheid de dieren op een vaste plaats te houden en dus ze beter te controleren (door waarneming of jacht). Het aanleggen van wildweiden in netwerken vermindert ook het concentratie-effect (dankzij gelijkmatig verdeelde voedselbronnen). Ten slotte kan men met wildweiden in bospercelen met gelijkjarige bestanden (bomen van dezelfde soort en leeftijd) het landschap minder eentonig maken, ecotonen creëren (bosranden) en de lichtpenetratie op de bodem van het bos verhogen.
Er bestaan 4 soorten wildweiden :
• Kunstmatig aangelegde houtgewassen : gegeerde inheemse vraatsoorten, aangepast aan de standplaats en van plaatselijke genetische afkomst, worden met zaailingen of stekken aangelegd en meestal tijdens de eerste jaren van hun groei beschermd. De omheining wordt geopend wanneer de meeste bomen en struiken 2,5 m hoog zijn. Soms worden natuurlijke zaailingen of stekken individueel beschermd (koker van het type NORTEN) om later de aanpalende bospercelen te herbezaaien.
• Natuurlijke houtgewassen : het gaat hier voornamelijk om plaatsen die van de bosbouw worden gevrijwaard en waar zich spontaan halfhoutachtige altijdgroene planten ontwikkelen zoals struikheide, blauwe bosbessen of braamstruiken, of inheemse houtgewassen zoals verschillende soorten kleinbladige wilgen (S. angustifoliae), espen, lijsterbesbomen, meidoornen… allemaal soorten die vallen onder de vraatsoorten van wilde herkauwers, vooral in de winter (maagvulling) en in het begin van de lente (weinig verteerbare voeding compenseert de (te) grote verteerbaarheid van nieuwe scheuten). Het enige, doch belangrijke onderhoud dat een (kunstmatige of natuurlijke) wildweide van houtgewassen vergt, is het regelmatig kappen van de vegetatie om de ontwikkeling van loten met een goede hoogte te bevorderen.
• Kunstmatig aangelegde grasgewassen : worden aangelegd in brandgangen of op voorbehouden plaatsen (na het openen van het bladerdek). Deze wildweiden staan gelijk aan de extensieve tot semi-intensieve beweiding in de landbouw. Voorafgaand is het nodig een lichtingsdunning en bodembewerking uit te voeren (eventueel met toevoeging van chemische toeslagstoffen), om dan bepaalde variëteiten van klaver, raaigras, zwenkgras… te kunnen zaaien. Deze worden specifiek gekozen om vroegtijdig (net na de winter) of laattijdig (in de herfst) een kwalitatieve voedselbron te bieden. Een regelmatig onderhoud is nodig (meststoffen, overbezaaiing…) en er moet ook minstens tweemaal per jaar worden gemaaid om te zorgen dat de wildweide aantrekkelijk blijft.
• Natuurlijke grasgewassen : zones die van de bosbouw worden gevrijwaard, die reeds open zijn of een zeer licht bladerdek hebben en die minstens eenmaal per jaar worden gemaaid. Het feit dat men meer van deze zones zou voorzien op grotere oppervlakten zou, ook al zijn ze niet even productief als een kunstmatige wildweide, een zachter alternatief kunnen vertegenwoordigen (geen ingrepen om de eigenschappen van de bodem te wijzigen), voornamelijk in het kader van de NATURA 2000 sites. De percelen die deel uitmaken van het veenherstelprogramma LIFE (Saint-Hubert) zijn hier een veelbelovend voorbeeld van, vooral gelet op hun omvang. Op een niet te zure en niet te vochtige bodem zijn grasgewassen zoals de bochtige smele, die blijven groeien tijdens de winter, vaak in combinatie met blauwe bosbessen, een uitgelezen voedselbron in de winter en het begin van de lente voor wilde herkauwers.
-> Beheer van de habitat
-> Bijvoederen van de dieren
-> Rust
|